Blog naar aanleiding van leeslounge LOSmakers voor het boek ‘Generatie Einstein’ van Jeroen Boschma & Inez Groen (pag. 203-247).

Zoals al eerder te lezen viel is Generatie Einstein een sociale, coöperatieve, slimme, betrokken generatie. Een generatie die eerlijkheid, authenticiteit en gezelligheid hoog in het vaandel heeft. Maar hoe komt dat tot uiting in dagelijkse dingen als leren, werken en wonen? Om te beginnen met dat laatste…jongeren in de generatie Einstein blijven langer thuis wonen, dan generaties voor hen. Ze passen zich aan aan de huiscultuur en leven verder hun eigen leven, samen met vrienden – ongehinderd door ouders. Het samen thuis zijn (met alle huisgenoten) is voor jongeren waardevol, maar wil niet per se zeggen dat je dan ook steeds met elkaar bezig ben -dingen samen doet, zoals tv kijken en spelletjes doen. Nee, alleen al het samen zijn en terwijl ieder zijn eigen ding doet, is voldoende.

Toch komt er een moment dat ook deze jongeren uitvliegen. De gewenste woonsituatie wordt dan vormgegeven door de omgeving waar de jongere is opgegroeid. Was dat een flatje drie hoog achter, dan zal dat in eerste instantie ook de maat zijn. Gezelligheid en sfeer spelen daarbij een belangrijke rol. Beperkingen in de woonomgeving zijn nog niet van belang. Pas als er een partner en kinderen in beeld komen, wordt hierover nagedacht en gaan veiligheid, rust, groen, ruimte, frisse lucht e.d. een rol spelen. Belangrijk in de woonomgeving van de generatie Einstein is ook de heterogeniteit in de wijk. Verschillende nationaliteiten, generaties en achtergronden zorgen voor een mooi mix. Een centrale ontmoetingsplek waar deze diversiteit wordt samengebracht, is voor generatie Einstein een must.

Schermafbeelding 2013-10-22 om 20.17.52Als onderwijskundige ben ik uiteraard nieuwsgierig hoe het zit met leren en werken voor deze generatie. Waarin verschilt deze generatie van andere generaties? Na al het voorgaande gelezen te hebben komt het niet echt als verrassing meer dat deze generatie van een docent in het bijzonder en het onderwijs in het algemeen verwacht dat dit eerlijk en authentiek is. School is een integraal onderdeel in het leven van jongeren. Ze vinden school dan ook belangrijk. Niet alleen vanwege de leerplicht, maar ook voor hun toekomst. Waar de docent vroeger een duidelijke positie had als kennisexpert, is die positie nu veranderd. Informatie en kennis zijn in deze digitale wereld voor iedereen vindbaar. Als je gitaar wilt leren spelen, zoek je op internet naar een ‘how to’-filmpje. Maar wat is dan nog de toegevoegde waarde van een docent? Volgens jongeren is een goede docent:

iemand die je kent, die aandacht voor je heeft, die ook eens vraagt hoe je weekend was, maar die tevens goed les kan geven – zodat iedereen aan het eind van de les datgene heeft geleerd wat geleerd diende te worden – en een klimaat weet te scheppen waarin goed geleerd kan worden.’

Het gaat daarbij om een goed begeleide en gestructureerde manier van kennisoverdracht. Kennisoverdracht op een dusdanige manier waarmee de docent aansluit op verschillende leerstijlen. Kennis is overal te vinden. Het gaat erom wat iemand ermee doet en de manier waarop iemand die kennis gebruikt om iets over te brengen. Het saaiste onderwerp kan interessant worden, als de docent bevlogen is. Maar dat gold mijns inziens ook al bij andere generaties. Anders dan vroeger is wellicht het respect dat jongeren verwachten. Als een docent hen respecteert, dan respecteert de jongere de docent. Dat wederzijdse respect is anders dan bij eerdere generaties. En voor de huidige generatie docenten ook niet altijd makkelijk te aanvaarden. Het is nogal wat. Vroeger had de jongere respect voor de docent (een eenrichtingsweg), nu verwacht diezelfde jongere ook respect van de docent terug. Die oude patronen doorbreken is een hele opgave. En dat geldt ook voor de veranderende didactiek. Waar generatie X vooral verbaal leerde – via (geschreven) tekst, leert generatie Einstein vooral in beelden. Dat doet een beroep op de creativiteit van de docent (en dat is niet per definitie zijn sterkste kant).

Ook ten aanzien van de arbeidsmarkt heeft de jongere bepaalde verwachtingen. Je werkt om te leven en niet andersom. Je zetje talenten in, netwerkt en werkt voor zelfontplooiing, niet voor status. Ergens voelt het dan wel tegenstrijdig om te lezen dat de generatie Einstein zich in haar werk richt op het resultaat en niet zozeer op het proces, zoals generatie X. Is dat niet tegenstrijdig met de hang naar zelfontplooiing? Die zelfontplooiing is een van de centrale waarden van generatie Einstein. Voor jongeren is het hoogste goed jezelf ontwikkelen als mens, gelukkig zijn en plezier hebben. Dat is niet iets waar je naar streeft, dat is er al. Hoe je dat geluk bereikt of voelt, is afhankelijk van wie je bent.

Kijkend naar mezelf, ik ben een late generatie X’er (en misschien wel een vroege ‘Einsteiner’), vind ik de beschrijving over die zelfontplooiing treffend. Begin dit jaar kwam ik thuis te zitten met een burn-out. Het contact met mezelf, met wie ik diep van binnen ben, was ik enigszins kwijt geraakt. In het proces van herstellen, ben ik weer op zoek gegaan naar mijn eigen ik. En hoewel ik het soms nog lastig vind om bij mezelf te blijven en niet te zwichten voor de eisen die anderen, de maatschappij aan je stelt, merk ik dat leven vanuit mijn eigen kracht en eigenheid wel veel beter bij me past. En misschien vind ik daarom de doelgroep van generatie Einstein juist ook zo leuk in mijn werk…

‘Zelfontplooiing van binnenuit, intern gedreven door wensen en behoeftes van jezelf en niet gestuurd door eisen van de maatschappij.’

Moet je daarvoor echt een Einsteiner zijn? Of heeft dat gewoon ook te maken met persoonlijkheid?